Oudejaarsavond lijkt een modern feest van vuurwerk, carbid en lawaai. Jaar na jaar discussiëren we over overlast, veiligheid en schade. Toch is het knallen zelf veel ouder dan onze tijd. Wat wij vandaag meemaken, is geen toevallige ontsporing van gezelligheid, maar een overblijfsel van oeroude overgangsrituelen.
De jaarwisseling valt midden in wat vroeger de joeltijd werd genoemd: de dagen rond de winterzonnewende. Voor mensen die volledig afhankelijk waren van natuur en seizoenen was dit een kwetsbare periode. De dagen waren op hun kortst, de kou drong door tot in huis en lichaam, en niemand wist zeker of het licht werkelijk zou terugkeren. Juist in die onzekerheid ontstonden rituelen die bedoeld waren om het donker te bezweren.
Vuur speelde daarin een centrale rol. Grote vuren werden ontstoken op heuvels en dorpspleinen. Niet alleen om warm te blijven, maar als teken van hoop: de zon keert terug, het leven gaat door. Het vuur was een belofte aan zichzelf en aan elkaar. Het lawaai hoorde daar onlosmakelijk bij. Men joelde, sloeg op ketels, luidde bellen en maakte zoveel mogelijk kabaal. Niet uit baldadigheid, maar om kwade krachten te verjagen en het oude jaar letterlijk weg te jagen.
In dat licht is het carbid schieten verrassend begrijpelijk. De doffe dreun, de schok in je lijf, het even stilvallen daarna – het zijn moderne echo’s van een oud gebaar. Een collectieve ontlading aan de rand van het onbekende. Ook vuurwerk past in diezelfde lijn: lichtflitsen tegen de nachtelijke hemel, alsof we even terugroepen dat het donker niet het laatste woord heeft.
Toen het christendom zijn intrede deed, probeerde de kerk deze overgangstijd te duiden en te ordenen. Oudejaarsavond werd verbonden met Sint Silvester, maar het feest liet zich nooit volledig inkapselen. Te luid, te lijfelijk, te weinig beheersbaar. En misschien is dat precies de kern: sommige momenten in het leven laten zich niet netjes vieren. Overgangen vragen om rituelen die het lichaam aanspreken, niet alleen het hoofd.
De symboliek van de tijd zelf versterkt dat. Januari is genoemd naar Janus, de Romeinse god met twee gezichten: één naar achteren en één naar voren. Janus is de god van deuren en doorgangen. De jaarwisseling is zo’n deur. En bij deuren hoort beweging, geluid, soms zelfs chaos. Het is het moment waarop we terugkijken én vooruit, vaak tegelijk, vaak met gemengde gevoelens.
Dat verklaart ook de dubbelheid van oudejaarsnacht. Er is vreugde, maar ook melancholie. Er is hoop, maar ook onrust. Het vuurwerk verlicht even de hemel, maar laat daarna rook en scherven achter. Net als het leven zelf: licht en breekbaarheid tegelijk. Oudejaarsavond is geen glad optimistisch feest. Het is een ritueel van loslaten en vertrouwen, zonder garanties.
In onze tijd is het terecht dat we grenzen stellen. Veiligheid, zorg voor mens en dier, verantwoordelijkheid voor de leefomgeving – dat alles doet ertoe. Als ethicus kijk ik hier met dubbele aandacht naar: naar wat begrensd moet worden om schade te voorkomen, én naar wat we verliezen wanneer we vergeten waarom mensen deze rituelen ooit zijn gaan doen. Want wie alleen het lawaai hoort en niet het verhaal erachter, mist iets wezenlijks. Deze gebruiken zijn geen willekeurige ontsporingen, maar restanten van een oud menselijk antwoord op onzekerheid.
Misschien is dat wel wat oudejaarsavond ons nog steeds leert. Dat we, juist wanneer we het niet zeker weten, samen iets doen. Dat we lawaai maken, vuur ontsteken, elkaar aankijken en zeggen: we gaan verder. Niet omdat we weten dat het goed komt, maar omdat we hopen dat het kan.
En hoop, zo blijkt al duizenden jaren, maakt zelden geluidloos de overgang.
