De belangrijkste ethische uitspraak van de twintigste eeuw is misschien wel die van theoloog Harry Kuitert: het gaat niet om de moraal, het gaat om het verhaal. Met die ene zin verschuift het perspectief radicaal. Niet de regel staat centraal, maar het narratief. Niet het voorschrift, maar het verstaan. Ethiek ontstaat niet uit wetten en geboden, maar uit verhalen die mensen vormen, hun waarneming scherpen en hun handelen beïnvloeden.
Dat inzicht wordt breed gedeeld, ook buiten de theologie. In de psychologie, filosofie en cultuurwetenschap groeit al decennialang het besef dat verhalen niet zomaar illustraties zijn, maar dragers van betekenis. Carl Gustav Jung liet zien dat mythen en verhalen uitdrukking geven aan diepe psychische werkelijkheden. Ze spreken de taal van archetypen – beelden en motieven die wereldwijd terugkeren omdat ze raken aan universele ervaringen zoals angst, schuld, hoop, lijden en het verlangen naar heelheid. Een verhaal werkt ethisch niet omdat het voorschrijft wat iemand moet doen, maar omdat het iets in beweging zet. Het roept herkenning op, confronteert en nodigt uit tot bewustwording. Wie een verhaal werkelijk begrijpt, verandert niet door dwang, maar van binnenuit.
De filosoof Paul Ricoeur ging nog een stap verder. Volgens hem ontlenen mensen hun identiteit niet in de eerste plaats aan eigenschappen of overtuigingen, maar aan verhalen. Wij zijn verhalende wezens. We begrijpen onszelf door ons leven te vertellen, opnieuw te vertellen en soms te herschrijven. Verhalen openen een morele ruimte. Ze tonen wat mogelijk is, zonder gedrag af te dwingen. Ricoeur sprak daarom over een ethiek van de verbeelding. Ethiek ontstaat waar mensen leren zich in te leven, andere perspectieven toe te laten en zichzelf te herkennen in de ander. Waar die verbeelding groeit, groeit verantwoordelijkheid.
Ook cultuurcriticus Joseph Campbell wees op de vormende kracht van verhalen. Mythen en religieuze vertellingen zijn geen historische verslagen, maar symbolische structuren van menselijke ontwikkeling. De bekende heldenreis is geen avonturenplot, maar een innerlijk proces. De mens verlaat het vertrouwde, wordt geconfronteerd met angst en chaos en keert terug met nieuw inzicht. Zulke verhalen leren geen regels, maar moed. Ze vertellen niet wat goed of fout is, maar laten zien wat het kost om mens te worden. Moreel besef ontstaat hier niet door gehoorzaamheid, maar door herkenning.
Binnen de theologie heeft Eugen Drewermann deze narratieve benadering radicaal uitgewerkt. Hij bevrijdde bijbelverhalen uit het keurslijf van dogma en moraal en las ze opnieuw als verhalen over angst, schuld, bevrijding en heling. Voor Drewermann is het evangelie geen ethisch systeem, maar een existentieel appel. Jezus verschijnt niet als morele wetgever, maar als iemand die mensen geneest door hen opnieuw in hun eigen verhaal te plaatsen – voorbij angst, schuld en zelfveroordeling. Waar religie wordt gereduceerd tot moraal, verhardt zij en ontstaat geweld. Waar het verhaal weer mag spreken, ontstaat compassie.
Dat alles leidt tot een scherpe maar noodzakelijke conclusie. Bijbelverhalen kun je letterlijk nemen, of je kunt ze serieus nemen. Maar dat zijn niet dezelfde dingen. Letterlijk nemen sluit het verhaal vaak op in het verleden of maakt het tot een moreel instrument. Serieus nemen betekent dat het verhaal mag werken – in het heden, in de lezer en in het handelen. Het verhaal wordt dan geen antwoord, maar een vraag die blijft meereizen.
Ethiek is niet wat je uit een verhaal haalt. Ethiek is wat er met je gebeurt wanneer je het verhaal toelaat. Wie het narratief begrijpt, heeft de moraal niet meer nodig als stok achter de deur. Die groeit vanzelf, van binnenuit, als vrucht van verstaan.
Lees jij bijbelverhalen om te gehoorzamen – of om te begrijpen wat ze met jou doen?
#verhalen#ethiek#bijbel#narratief#verbeelding#menswording#samenleven
